| De Maatschappij | ||
|
De Maatschappij Behalve oorlog voeren , waren er ook nog andere zaken die belangrijk waren in het dagelijks leven van de Azteken, zoals handel en schatting, ambachten, voedsel en de landbouw, het schrift en de kalender. Op welke manier hield men de maatschappij draaiende? Een groot deel van hun rijkdom hadden de Azteken te danken aan de schatting die andere steden van het rijk aan Tenochtitlan moesten betalen. Het innen van deze belasting gebeurde volgens een goed georganiseerd systeem van belastinginners, de calpixques , die ervoor zorgden dat alles juist verliep. Om de paar maanden stuurde men vanuit de hoofdstad een lijst met de vereiste schatting naar iedere andere stad. De steden konden weigeren om de schatting te betalen, maar dat betekende dan wel oorlog! Andere dingen die ze nodig hadden, kregen ze door handel te drijven. Het leven van de reizende handelaars, de pochteca, verschilde enorm van dat van de andere Azteken. Ze woonden in hun eigen wijken en waren verenigd in een koopmansgilde. Ze hadden hun eigen wetten en rechters en vereerden hun eigen god, Yacatecuhtli ("de heer die leidt" of "Heer Neus") aan wie ze offers brachten om veilig op reis te kunnen. De kinderen van kooplui mochten alleen trouwen met andere koopmans-kinderen. Ook verhulden ze hun rijkdom door zich eenvoudig te kleden, zodat de edelen niet jaloers werden. Handelsexpedities Voor de handel doorkruisten de pochteca op hun lange reizen het hele rijk. Als ze een gunstige dag om te vertrekken hadden uitgekozen, werd hun vertrek op het marktplein bekend gemaakt. Zodat anderen zich bij de handelsexpeditie konden aansluiten. De kooplui vertrokken vanuit de Vallei van Mexico met goederen van allerlei verschillende kooplieden die allemaal een aandeel hadden in de winst - of het verlies - van de onderneming. De pochteca waren zwaar bewapend en werden vergezeld door grote groepen soldaten. De Azteken kenden lastdieren, dus alle spullen moesten op de rug gedragen worden. Ze kwamen terug met luxeartikelen uit alle delen van het rijk, zoals mooie stoffen, verf, cacaobonen, goud, katoen, veren, kralen van jade en koper. Spionage De kooplui leverden niet alleen hun bijdrage aan de enorme rijkdom van de Azteken, maar sommigen waren ook spion en brachten verslag uit aan Azteekse generaals over de rijkdom en legers van andere steden. Soms wrden ze gebruikt om onrust te zaaien in een gebied dat de Azteken van plan waren om aan te vallen. Ze zorgden er dan voor dat ze een plaatselijke heerser beledigden, zodat die hun expeditie aanviel. De Azteken hadden dan een prachtig excuus om een oorlog te beginnen, zogenaamd om de handel te beschermen. Verborgen Rijkdom De kooplui kwamen altijd 's nachts terug in de stad, zodat niemand hen zag. Ze konden dan rustig hun spullen uitladen en bij een andere koopman in huis verstoppen. Op deze manier hielden ze hun enorme rijkdom voor de andere Azteken verborgen. Ambachtslieden stonden in hoog aanzien bij de Azteken. Ze hadden hun eigen stadswijk, hun eigen goden en hun eigen feestdagen. Ze droegen hun kennis alleen aan hun kinderen over, niemand anders mocht hun beroepsgeheimen weten. Ze werden tolteca genoemd, naar de Tolteken die volgens de legende hun voorouders waren. Er weren verschillende soorten ambachtslieden: Metaalbewerkers De Azteken kenden geen ijzer, maar ze gebruikten wel koper, goud en zilver om sieraden van te maken. Deze metalen werden van verre, door de pochteca, meegebracht. De metaalbewerker maakte eerst van klei een model van het voorwerp dat hij wilde maken. Dat bedekte hij met bijenwas, waarover hij dan nog een laag klei aanbracht. Het metaal werd gesmolten in een kleine oven. Hierna werd het in een gat bovenin de gietvorm gegoten. Door de hitte smolt de bijenwas en het gesmolten metaal vulde de zo vrijgekomen ruimte op. Als het model was afgekoeld werd de buitenkant van de klei stukgeslagen en kwam het metalen voorwerp tevoorschijn. Grote metalen voorwerpen, zoals standbeelden, werden gemaakt door grote klompen metaal te verhitten en te smeden.
De veerbewerkers maakten prachtige dingen die bijna allemaal verloren zijn gegaan. De meest gewilde veren waren die van de Quetzalvogel, die schitterende veren had. In Tenochtitlan stond een volière met duizenden felgekleurde volgels, verzorgd door 300 man personeel. Als de vogels in de rui waren, werden hun veren verzameld, gesorteerd en daarna naar de veerbewerkers gebracht. Met de veren werden afbeeldingen in mozaïek gemaakt. Eerst werd het ontwerp op een stuk stof getekend en vervolgens werden de veren volgens dat patroon op hun plaats vastgelijmd. Van de veren werden ook vaandels, hoofdtooien en mantels gemaakt. Andere Ambachten Er waren ook nog andere vaklui die dingen maakten van jade, kristal, obsidiaan en halfedelstenen. Jade en turkoois werden gebruikt voor mozaïeken. Pottenbakkers maakten verfijnde borden en schalen, wat knap gedaan was, want een pottenbakkersschijf kenden de Azteken niet. Ook het vervaardigen van stof was belangrijk. Iedere vrouw weefde haar eigen kleren en mantels op een bandweefgetouw. De edelen droegen katoenen kleren, maar de gewone mensen droegen kleding van cactusvezels. Muziek Muziek speelde een belangrijke rol bij feesten en rituelen. Het belangrijkste muziekinstrument was de huehuetl, een trommel die was gemaakt uit een holle boomstam. Dit instrument zorgde voor een stevig basritme. De hogere tonen kwamen van houten gongs, ratels, bellen en andere dingen die geluid maakten, zoals botten, gedroogde zaden en noten. De enige blaasinstrumenten die de Azteken kenden waren de schelp, waarmee de burgers elke dag wakker werden getoeterd en fluiten van been, aardewerk of bamboe. Om niet om te komen van de honger, moesten de Azteken gewassen verbouwen om van te kunnen leven. Op welke manier hadden zij dit geregeld? De meeste Azteken waren boer en werkten van 's morgens vroeg tot 's avonds laat op het land. Het land moest met de hand bewerkt worden, want ze hadden geen trekdieren of ploegen. Gelukkig was het land erg vruchtbaar dankzij de rijke rivierklei en de menselijke mest, die met boten uit de openbare toiletten in de stad werden gehaald. De beste akkers die de Azteken hadden, waren de chinampa's, de drijvende tuinen. Deze werden gemaakt door palen in de bodem van het meer te slaan, waaraan vlechtwerk werd bevestigd. Bossen riet en takken, die met stenen verzwaard werden, vormden de fundering. Daar bovenop kwam de modder uit het meer. De randen van de chinampa's werden met wilgen beplant, het was de bedoeling dat die er met hun wortels voor zorgden dat de grond niet wegspoelde. Eén familie bewerkte gemiddeld zes chinampa's, die elk zo'n 100 meter lang waren en zo'n 10 meter breed. Het Voedsel De Azteken aten opvallend weinig voor zulke hard werkende mensen. Ze hielden geen grote dieren als vee, dus aten ze ook haast geen vlees. Ze aten wel veel verschillende soorten fruit en groenten, zoals zoete aardappels, tomaten en avocado's. Ze aten ook pinda's en een soort pompoen. De belangrijkste voedingsbron was maïs. De gedroogde kolven waren bijna onbeperkt houdbaar en dat is een groot voordeel in een land waar je nooit zeker bent van de oogst vanwege de bodem en het klimaat. Van het maïsmeel werden platte koeken gebakken, tortillas. Deze koeken werden snel oud, dus voor ieder maal werden nieuwe gebakken. Het maïsmeel kon ook worden gebruikt voor atole, een soort pap met paprika voor een hartige, en met honing voor een zoete smaak. Ook maakten ze er tamales van, envelopjes van gesroomde maïskorrels, die werden gevuld met groente of een andere vulling. Voor de vulling gebruikten ze vaak bonen, ei, paprika, vis en fruit. Voor een speciale vulling gebruikten ze extra lekkernijen zoals kikkers, watersalamanders, slakken, insekteneitjes, gekookte sprinkhanen en de rode wormen uit het Texcoco-meer. Door op watervogels, herten, wilde zwijnen, konijnen en eekhoorns te jagen, konden de Azteken af en toe wat vlees eten. Ook hielden ze kalkoenen voor het vlees en voor de eieren. Maar de allergrootste lekkernij voor de Azteken was: hond. Veel gezinnen fokten kleine, onbehaarde honden die ze vet mestten voor speciale feesten. Luxe Voedsel De rijke Azteken aten beter. Ze aten lekkernijen als ananas, krab, oesters, schildpad en zeevis uit de kustgebieden. Van gemalen cacaobonen werd chocolade gemaakt, dat werd opgeklopt tot een koud, schuimend drankje, afgemaakt met vanille of kruiden. Voor de koninklijke hofhouding werden er iedere dag vijftig kannen van deze drank gemaakt. Drank De armen dronken water, behalve op bepaalde feestdagen. Dan mochten ze pulque drinken, een soort bier gemaakt van het sap van de agave. Het werd wel in kleine hoeveelheden gedronken, want dronkenschap was strafbaar. Etenstijd De Azteekse boeren begonnen meestal met werken zodra de zon opkwam. Ze hadden dan nog niet gegeten. Rond een uur of tien ontbeten ze met atole. Als ze ver van huis waren, namen ze alleen een koud hapje tussendoor. De hoofdmaaltijd, kruidig gevulde tortillas, werd op het heetst van de dag gegeten. Voordat boeren weer aan het werk gingen, hielden ze een siësta en voordat ze naar bed gingen, aten ze vaak nog wat pap. De Azteken kenden geen alfabet, maar ze schreven dingen op door middel van hiërogliefen. Sommige tekentjes beeldden gewoon iets uit, zoals een boom. Andere tekentjes stonden voor begrippen. De tekentjes werden met zwart getekend en dan ingekleurd. Sommige hiërogliefen werden in de loop van de tijd een teken voor het geluid van wat ze afbeeldden. Deze fonogrammen konden samen de klank van een woord afbeeldden. Deze methode werd vaak gebruikt voor plaatsnamen. Een voorbeeld hiervan is de stad "Quauhtitlan", wat boom met tanden betekent. Een boom is: quauitl en het woord voor tanden is: tlanti. Je krijgt dan het hiëroglief (een boom met tanden) met de klank van het woord Quauhtitlan.
Papier werd gemaakt van schors van wilde vijgebomen, dat in kalkwater werd geweekt en werd geklopt om de vezels los te maken. De pulp werd vermengd met gom en tot dunne vellen geslagen. Voor een codex, een boek, werden de vellen zoals bij een harmonika aan elkaar vastgemaakt. Soms werd een codex op perkament van dierenhuiden getekend. De Azteken kenden ook getallen. Ze waren gebaseerd op het getal 20 (omdat de mens 20 vingers en tenen heeft). Vingers gaven de getallen 1 t/m 19 aan, een vlag is het getal 20, een veer is het getal 400 (20 maal 20) en het getal 8000 (20 maal 20 maal 20) is een zak, waar dat aantal cacaobonen in kon. Begrip van tijd was heel belangrijk voor de Azteken, want op deze manier wisten ze wanneer er gezaaid en geoogst moest worden en welke dagen gunstig of juist ongunstig waren. De Azteken kenden twee tijdrekeningen:
De zonnekalender leek op de onze. Ieder jaar had 18 maanden en iedere maand had 20 dagen. In totaal is dat dus 360 dagen en zijn er dus nog 5 dagen per jaar over. De Azteken waren er heilig van overtuigd dat die vijf dagen erg ongunstig waren; een ruzie tijdens de "niets" zou tot in de eeuwigheid duren en van de kinderen die in die tijd geboren werden, zou niets terecht komen. De mensen kwamen gedurende die dagen hun huis niet uit en deden helemaal niets. Aan het begin van iedere "nieuwe" maand, trokken ze hun beste kleren aan en dansten en zongen ze. De namen van de maanden gaven seizoenen weer, zoals: "Droogte", "Het vallen van het Fruit", "De Veegmaand" en "Groei". De heilige kalender, de Tonalphoualli (de "Telling der Dagen") was van belang voor priesters en astrologen. Aan de hand van deze kalender deden zij hun voorspellingen. Je zou je deze kalender kunnen voorstellen als twee tandwielen, op het linker tandwiel staan 13 cijfers en op het rechter de namen van de twintig dagen. Als de tandwielen dan gaan draaien, komen er steeds een getal en een dagnaam naast elkaar te staan. De cyclus begint bij 1 Krokodil, 2 Wind, 3 Huis enz. Dit gaat zo verder totdat de cyclus voorbij is, er zijn dan 260 dagen voorbij.
Sommige dagen waren zeer gunstig, andere juist erg ongunstig. Elke dag had een eigen god. Quetzalcoatl was de god van de wind, dus hij heerste over het teken Wind. Met de nummers, de dagnamen, bepaalde kleuren en samenhangende windrichtingen deden de priesters voorspellingen en maakten ze horoscopen. De zonnekalender en de heilige kalender gaven samen de tijd aan. Het gebeurde maar één keer in de 52 jaar dat de eerste dagen van de afzonderlijke kalenders op dezelfde dag vielen. In deze periode heerste er groot gevaar, want de kans bestond dat de aarde dan vernietigd zou worden. Niemand wist of de zon nog zou opkomen na de Xiuhmolpilli (de "Gebundelde Jaren"). De "niets" aan het einde van 52 jaar duurde 12 dagen, want alle extra dagen van de schrikkeljaren werden bij elkaar opgeteld en aan het eind van de "Gebundelde Jaren" gestopt. De mensen gooiden dan al hun oude kleren weg en braken hun potten, alle vuren werden gedoofd en iedereen bleef binnen. |
||