| De Verdediging | |
|
De Azteken waren een erg oorlogszuchtig volk. Succes in de oorlog was van zeer groot belang: ten eerste moesten ze zorgen voor een constante voorraad gevangenen om aan de goden te offeren en ten tweede konden ze hun rijk hierdoor uitbreiden en het onder controle houden en de burgers van voedsel en goederen uit het buitenland voorzien. Het merkwaardige is dat ze ook bijna altijd succes hadden. Ze moeten dus een groot en goed georganiseerd leger hebben gehad. Hoe zat dit leger in elkaar? De Aanvoerders Elke stad die onder het gezag van de keizer stond, was verplicht om soldaten te leveren. De krijgers van elke stad vormden een legereenheid onder bevel van hun eigen officieren, maar de keizer had het opperbevel. Op deze manier ontstonden er legers van ruim 100.000 man. De keizer, of een betrouwbaar familielid, voerde het leger persoonlijk aan. Vijanden werden al vaak verslagen door alleen al het aantal.
De meeste officieren waren ridders, beroepssoldaten die al jong uit de groep van de beste krijgers werden gekozen. Er waren drie ridderorden:
De ridderorden hadden hun eigen kostuums. Jaguarridders droegen ocelothuiden en keken door de open muil van het dier. Adelaarridders droegen helmen in de vorm van een adelaarskop met wijd geopende bek. Belangrijke officieren droegen grote vaandels van veren op hun rug. De Krijgers Kinderen leerden op school al hoe ze met wapens moesten omgaan. Vanaf hun vijftiende jaar konden ze worden opgeroepen om mee te vechten in de oorlog. Iedere gezonde man moest zijn akkers verlaten als er op de grote oologstrom werd geslagen. De meeste Azteken waren blij als ze mochten vechten, want door successen te behalen in de oorlog konden ze hogerop komen. Soldaten werden niet betaald, maar soms werden ze beloond met een stuk land. Als een krijger vier gevangenen kon overdragen, kwam hij als beloning in de adelstand terecht. Als een krijger gewond raakte, kreeg hij het recht om een lange mantel van eer te dragen, die de littekens bedekte. Getroffen gezinnen kregen een schadeloosstelling. Lafaards liepen de kans om gestenigd te worden. De Wapens De wapens van de Azteken werden bewaard in de tlacochcalco, het wapenarsenaal. Ze kwamen alleen tevoorschijn bij het sein voor oorlog. De Azteken hadden verschillende soorten wapens zoals: slingers, bogen en pijlen met een punt van been of obsidiaan, lange speren die ze wierpen met behulp van een houten speerwerper: een atlatl. Bij gevechten van man tot man gebruikten ze een kruising tussen een zwaard en een knots: een maquahuitl. Dit wapen was ± 1 meter lang en de randen waren afgezet met scherpe stukken obsidiaan. De Wapenuitrusting De meeste krijgers droegen een pak van doorgestikte katoen, dat in zout was gedrenkt om het stijf te maken. Op deze manier waren de krijgers prima beschermd tegen speren en pijlen. De pakken werden versierd met verf en veren. Op hun hoofd droegen ze een veren hoofdtooi en in hun hand hielden ze een gevlochten rieten schild, dat bedekt was met leer en versierd met veren. De Oorlogvoering Als de Azteken een stad wilden veroveren, stuurden ze gezanten naar die stad, die wezen op de voordelen van het handeldrijven met het Azteekse rijk. Dit hoefde niet veel te kosten, enkel wat goud of edelstenen als presentje voor de keizer. Hierna kreeg de stad 20 dagen bedenktijd. Als het voorstel werd afgewezen, werden er weer gezanten naar die stad gestuurd. Nu kwamen ze niet meer op de voordelen van het handeldrijven wijzen, maar legden ze de nadruk op de rampspoed die zou volgen bij een weigering. Als de stad dan nog weigerde om zich aan te sluiten bij het Azteekse rijk, was het oorlog! Er werden dan boodschappers naar alle uithoeken van het rijk gestuurd om soldaten op te roepen. Wanneer de priesters een goede dag hadden uitgekozen om de oorlog te beginnen, klonk in heel Tenochtitlan de grote oorlogstrom. Dan ging het hele leger, compleet met priesters, kookvrouwen, dragers en technici, op weg. De steden waar ze onderweg langs kwamen moesten voor voedsel voor het leger zorgen. De Veldslag Wanneer het leger bij de vijandelijke stad aankwam, gingen de ridders van de Jaguar op verkenningstocht. Door vogelgeluiden te maken gaven zij berichten door. Bij zonsopgang openden de ridders van de Adelaar de aanval met veel kabaal, om de vijand bang te maken en de ridders van de Jaguar sloten de vijand in. Er werd altijd fel gevochten, maar de Azteken zorgden ervoor dat ze meer mensen verwonden en gevangen namen dan doodden. Ze konden de gevangenen dan gebruiken om aan de goden te offeren. Als ze de veldslag gewonnen hadden, riepen de boodschappers de vijand op om zich over te geven. Capitulatie Zodra de vijand zich had overgegeven, werd er een vredesverdrag opgesteld waarin stond hoeveel schatting de overwonnen stad voortaan moest gaan betalen. Soms werd een Azteekse edelman bestuurder van de stad. De gevangenen werden in triomf naar de zegenvierende steden gevoerd. In die steden bleven ze totdat ze werden geofferd. |
|